Een terugblik

Op 1 november 1956, bijna 70 jaar geleden, werd de adoptiewet van kracht. Tot 2006 zijn er in Nederland ruim 60 duizend kinderen geadopteerd. Ongeveer tweederde daarvan is afkomstig uit het buitenland. In de sterk verzuilde (religieus beïnvloede) Nederlandse samenleving in het eerste tweederde deel van de vorige eeuw was de bron al snel gevonden om in de behoefte aan adoptiekinderen te kunnen voorzien: de ongehuwde moeders. De kerk vond het ongehuwde moederschap fout, dus dan was het ook zo. Niemand twijfelde daaraan.

Tot 1981 nam de behoefte aan adoptiekinderen jaarlijks sterk toe, maar halverwege de jaren ’70 kon er steeds minder aan de vraag naar Nederlandse adoptiekinderen worden voldaan, omdat de bron met afgepakte bastaardkinderen steeds verder opdroogde.
Dit kwam vooral door de afnemende invloed van de kerk op de maatschappij, de invoering van de Bijstandswet en de opkomende vrouwenrechten. Hierdoor kreeg ook de ongehuwde moeder haar welverdiende plek in de maatschappij en steeds vaker zonder dat ze van haar baby werd beroofd. Hoewel dat laatste nog doorging tot in de jaren ’80.

De groeiende vraag naar adoptiekinderen bleef echter bestaan en de oplossing werd gevonden door kinderen uit het buitenland te adopteren.
Dat men het niet altijd even nauw nam met de wijze waarop kinderen naar Nederland werden gehaald was geen enkele belemmering voor deze levendige kinderhandel. Al red je er maar één. De maatschappij geloofde heilig in deze fabel. Zelfs de overheid bleek creatief in haar wegen om aan de vraag te kunnen voldoen. Men sloot hiervoor simpelweg de ogen en verzweeg of verborg het, met talloze misstanden, wanpraktijken en getraumatiseerde mensen tot gevolg.

Het aantal voorbeelden van dit soort praktijken is bijna eindeloos.

0 0 stemmen
Artikel waardering
Abonneer
Laat het weten als er
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties